Reactie gemeentebestuur op het NIOD-rapport

Burgemeester Peter Snijders: "In 2021 gaf de gemeenteraad het NIOD opdracht een breed, vierjarig onderzoek te doen naar de onteigening, doorverkoop, ingebruikname en rechtsherstel van Joodse bezittingen in de stad in de historische context van de bezetting en de periode daarna, en in het bijzonder naar de rol van de gemeente hierin. Dit paste in de wens naar waarheidsvinding, 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het gemeentebestuur wilde duidelijkheid over het handelen van zijn voorganger tijdens en na de bezetting.

De eerste fase van dit onderzoek is nu afgerond en door het NIOD aan de gemeenteraad en de maatschappelijke klankbordgroep aangeboden. Het onderzoek in de Zwolse archieven en andere beschikbare bronnen geeft ons zicht op de feiten met betrekking tot Joodse bezittingen en hoe 
daarmee is omgegaan. 

Als voorzitter van de gemeenteraad en van de maatschappelijke klankbordgroep die het onderzoek heeft begeleid ben ik blij dat dit tussenrapport er nu ligt. Het werpt licht op de manier waarop onze 
voorgangers tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zijn omgegaan met de rechten van onze Joodse inwoners. Het is goed en heel waardevol dat dit nu in beeld is gebracht voor Zwolle. Zwolle kende voor de oorlog een grote en bloeiende Joodse gemeenschap. Van de circa 800 Joodse Zwollenaren 
zijn er 500 die de oorlog niet overleefd hebben en zijn vermoord.

Uit het rapport blijkt dat de gemeente schipperde tussen de bevelen van de bezetter en de belangen van ingezetenen. Niet is gebleken dat het gemeentebestuur van Zwolle tijdens de Duitse bezetting actief panden uit Joods bezit heeft overgekocht of in gebruik genomen. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de gemeente Zwolle na de oorlog naheffingen van erfpacht en andere lokale belastingen of boetes heeft doorgevoerd bij Joodse overlevenden die waren teruggekeerd.

Wat wel is gevonden, zijn de papieren bewijzen van roof en onteigening, waaruit duidelijk blijkt dat de Duitse bezetter en zijn organisaties, oorlogskopers, makelaars en notarissen profiteerden van de situatie waarin Joodse huiseigenaren ontrecht werden. Van de lijsten van Joods bezit, de 
leggerartikelen van het kadaster, tot de geschillendossiers; gezamenlijk schetsen ze een helder beeld van hoe deze diefstal heeft kunnen plaatsvinden en daarvan door verschillende groepen werd geprofiteerd.

Het gemeentebestuur en zijn ambtenaren waren hiervan op de hoogte en namen een (administratief) ondersteunende houding aan. Van een actief betrokken rol bij deze processen was geen sprake. Daarmee vormt het gedrag van de gemeente Zwolle volgens de onderzoekers een uitzondering op het beeld dat we hebben van de situatie in grote gemeenten in de Randstad.

Hoewel het gemeentebestuur tijdens de bezetting geen gebruik heeft gemaakt van de uitzonderlijke situatie dat panden in de stad gedwongen verkocht werden, heeft het dat wel gedaan in de eerste naoorlogse maanden. Op verzoek van de gemeentepolitie huurde het gemeentebestuur in 1945 het perceel Praubstraat 1-3, dat eigendom was van een Joodse bakker, om daarmee het politiebureau in het naastgelegen pand aan de Praubstraat 5 meer ruimte te bieden. Tot aankoop van de panden aan de Praubstraat is de gemeente echter pas overgegaan nadat het rechtsherstel met de erfgenamen van de voormalige eigenaar formeel was afgewikkeld.

Het gemeentebestuur van Zwolle was op de hoogte dat de Joodse eigenaar ‘afwezig’ was en heeft hiervan gebruik gemaakt. Er is weinig compassie getoond voor de context waardoor het perceel leeg was komen te staan. Dit past in het beeld dat Nederland na de oorlog opnieuw moest worden 
opgebouwd, waarbij er weinig ruimte en begrip was voor de situatie van overlevende en teruggekeerde Joden. Zij die na de oorlog berooid terug kwamen moesten zelf het initiatief nemen voor het terugkrijgen van hun bezittingen en Joodse huiseigenaren of hun nabestaanden moesten zelf een rechtsherstelprocedure aanvragen.

Deze kille ontvangst van overlevenden bij terugkeer in Nederland is pijnlijk en beschamend en stond helaas niet op zichzelf. U herinnert zich waarschijnlijk nog het verhaal van Selma Wijnberg bij haar terugkeer uit Sobibor naar Zwolle.

De beschamende ontvangst van Joden die wel uit de oorlog terug zijn gekeerd is precies de reden dat we NIOD gevraagd hebben een breed historisch onderzoek te doen, dat duidelijk maakt in welke maatschappelijke context we het handelen van de overheid moeten zien. Het is al te makkelijk om met de bril van nu een oordeel uit te spreken over het handelen van onze voorgangers, puur redenerend vanuit de feiten zoals die nu gepresenteerd zijn.

Ik hecht er aan en zou onszelf de ruimte willen geven om nu geen oordeel uit te spreken over het handelen van onze voorgangers. Dit rapport geeft stof tot nadenken, maar het is een eerste tussenstap in een langer onderzoek. In de eindrapportage die in 2025 wordt opgeleverd, worden de 
nu beschreven feiten in de bredere context van die tijd geplaatst. Daarin komen dus ook de persoonlijke verhoudingen en de morele kant van rechtsherstel aan bod, zodat een breed perspectief ontstaat op wat er met de Zwolse Joodse bevolkingsgroep tijdens en na de bezetting is gebeurd en welke rol de gemeente in de volle breedte hierin heeft gespeeld.

Laten wij onszelf de tijd gunnen om NIOD eerst het volledige onderzoek af te laten ronden. Als de resultaten daarvan op tafel liggen is het moment daar om de rol en het handelen van de gemeente te duiden in het tijdsgewricht van de bezetting en de jaren daarna. Dan pas is ook de vraag te beantwoorden of en wat voor consequenties wij daaraan als gemeentebestuur zouden willen verbinden.

Vast staat wel dat wij het verhaal over het Joodse roofgoed en de handelwijze van alle betrokkenen graag breder willen delen in de stad. Daarom zullen wij na de afronding in 2025 aan ANNO Stadsmuseum verzoeken het verhaal op passende en aansprekende wijze toegankelijk te maken voor alle Zwollenaren."

13 februari 2024