bord iconRichtlijnen tijdens werkzaamheden

Bent u aan het werk in de openbare ruimte? Hier vindt u de richtlijnen waar u binnen de gemeente Zwolle aan moet voldoen om de openbare ruimte tijdens de werkzaamheden toegankelijk te houden.

Loopoppervlak

  • Bij opbreken van verharding rijplaten of loopschotten gebruiken.
  • Recht, stabiel en aaneengesloten aanleggen
  • Het loopoppervlak is vlak
  • Onregelmatigheden zijn maximaal 5 mm
  • Maaswijdte maximaal 20 mm 
  • Gleuven dwars op de looprichting aanbrengen

Boomwortels

Boomwortels kunnen de bestrating omhoog duwen. Dit kan worden voorkomen door een diep en goed doorwortelbaar plantgat te maken. Bij bestaande bomen kan schade worden voorkomen, door het nemen van groeiplaatsverbetering en opgroeivoorkomende maatregelen. Bij het planten kan men rekening houden met de boomsoort.

Gleuven en mazen

Openingen (spleten, gaten in een rooster) in het oppervlak van een looproute mogen niet te groot zijn. Met name voor mensen met krukken of een taststok kunnen te grote spleten hinderlijk zijn. Dit geldt ook voor (geleide)honden. Ook wielen van een rolstoel kunnen klem komen te zitten als openingen te groot zijn. Gleuven en mazen van roosters of van putdeksels moeten daarom smaller zijn dan 2 cm. Een afwateringsgoot bij een op-/afrit mag niet dieper zijn dan 1 cm.

  • Hoogteverschillen (tot 0,15 m) overbruggen
  • Breedte helling is minimaal 1,20 m
  • Helling maximaal 1:10

Loopruimte

  • ≥ 1,8 m
  • Doorgang (bijv. paaltjes) op looproute ≥ 0,85 m
  • Breedte gecombineerd fiets-, wandel- (en rolstoel)pad ≥ 3,0 m
  • Bij voorkeur 1 m gazon aan weerszijden van het pad)

De vereiste minimale breedte van een voetpad is 1,20 m (1,8 m wanneer mensen elkaar moeten passeren). In parken en natuurgebieden bevindt zich langs de rand van het pad vaak beplanting. Het is goed om daar een rand van > 1 m gazon langs te maaien (ook overhangend extensief gras belemmerd het gebruik). Paden van halfverharding als Schots graniet hebben een standaardbreedte van 2 m. Paden met halfverharding waar weinig op gelopen wordt, worden in de loop van de tijd smaller. Er kan, afhankelijk van de situatie, ook asfalt (eventueel met afstrooilaag) of (voor fietspaden) beton gebruikt worden.

  • ≥ 2,60 m op een looproute
  • ≥ 2,30 m bij incidentele objecten op een looproute
  • Onderkant verkeersbord op voetpaden is ≥ 2,50 m

Een looproute dient over een zodanige vrije hoogte te beschikken dat niemand zich hoeft te bukken of de neiging heeft om te bukken. Ook mensen met paraplu’s en lange mensen moeten zich goed kunnen voortbewegen.

Objecten die zich (gedeeltelijk) binnen de vrije hoogte bevinden, moeten buiten de looproute worden gebracht.

Aandachtspunt is de hoogte van verkeersborden. Als borden te hoog hangen, nemen de waarneembaarheid en de reflectie af. De ooghoogte van automobilisten is ‘slechts’ 1,10 m; die van fietsers circa 1,75 m. Zie voor de voorschriften van het plaatsen van verkeersborden de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens hfst. I paragraaf 2 lid 13.

  • Draairuimte bij gebruiksobjecten met bediening > 2,10 x 2,10 m.
  • Opstelruimte bij gebruiksobjecten met bediening > 0,90 x 1,40 m.

De vrije draairuimte bij gebruiksobjecten dient  minimaal 2,1x2,1 m. te zijn. Dat houdt in dat bijvoorbeeld een bankje aan een pad van 1,50 m. minimaal 0,6 m. van het pad af gezet moet worden. Dit levert de gewenste manoeuvreerruimte op én houdt het pad vrij voor passanten.

Overig

  • Zie de richtlijnen m.b.t. gidslijnen en geleidelijnen.
  • Oversteekplaatsen met rijbanen waar snelheden van meer dan 30 km/uur zijn toegestaan en voetpaden die intensief worden gebruikt moeten worden ingericht met een 0,6 m brede waarschuwingsmarkering .
  • Voor blinden/slechtzienden is een geleidelijn niet vanzelfsprekend vindbaar, zeker als ze gebruik maken van natuurlijke gidslijnen. Er dient een geleidelijn naar het zebrapad aangebracht te worden, die voorzien moet worden van voldoende contrast.
  • Alternatieve route aangeven, bestaande bewegwijzering afdekken
  • Gele tijdelijke bewegwijzering gebruiken
  • Afgraving afzetten met hekken (linten onvoldoende) 
  • Hekken met voeten naar binnen, niet op route (let op stabiliteit, hekken dienen niet om te vallen door wind)
  • Tijdelijke routes en bewegwijzering voldoende verlichten